|
|
Hoogeveen, M.J. (1996).Groeitrend Internet. Westerse wereld vol bedrijvige 'Netizens' in 2002. Informatie, 38(4), 8-15. Herplaatst in Samsom-handboeken. Groeitrend Internet. Westerse wereld vol bedrijvige 'Netizens' in 2002. (Internetgebaseerde netwerken bieden meest succesvolle infrastructuur voor telemultimedia) Martijn Hoogeveen
Samenvatting. Op internetprotocollen (IP) gebaseerde netwerken vormen het fundament voor telemultimedia. Het begon met het Internet, kort aangeduid met het Net, een wereldwijd netwerk van duizenden netwerken dat sinds kort commercieel is doorgebroken. De toepassing van IP in bedrijfsnetwerken leidde tot de opkomst van Intranetten, en de toepassing van IP in doelgroepnetten of branchenetten leidde tot de groei van wat sinds kort Extranetten wordt genoemd. Het aantal IP-gebruikers over de gehele wereld en ook in Nederland groeit fors. Het blijkt verder dat aan Internet-toegang, interactieve advertentiemedia en digitale winkelruimte aanbieden nu al een goede boterham verdiend wordt. Uitgeven van informatie, zoekdiensten en het daadwerkelijk handelen via het Net zijn commercieel nog in opkomst. 1 Introductie: Internet is een groeimarkt We kunnen momenteel geen krant of tijdschrift meer openslaan of we worden geconfronteerd met het Net. Geen dag gaat er voorbij of er wordt op radio en tv wel weer iets over het Net beweerd, vaak in relatie tot het concept van de informatiesnelweg. Het is bon ton geworden over het Net te schrijven en te discussiëren en bedrijven verdringen zich voor de poorten van Internetaanbieders om ook op het Net te komen. Het aantal gebruikers in Nederland groeit explosief: er waren er eind 1996 zo'n 700.000. Dit aantal verdubbelt zich al jaren iedere 8 á 12 maanden. Een gigantisch aantal als je bedenkt dat een paar jaar geleden het Net volstrekt onbekend was. In het kader van telemultimedia is het belangrijk te zien dat de opkomst van een grafische interface, het World Wide Web, de succesfactor is geweest die tot de popularisering van het Net heeft geleid. Andere multimediale applicaties die tot verdere groei bijdragen zijn webtelefonie - met name internationaal is dat zeer lucratief omdat het tegen lokaal tarief kan -, videovergaderen, chatten, en multimedia mail (voor circa 5 cent gaat je brief de wereld rond!). De historie van het Net in het kort In de jaren zestig concentreerde de RAND Corporation, de meest vooraanstaande koude oorlog-denktank van de VS, zich op een merkwaardig, strategisch probleem: hoe zouden de overheidsinstellingen van de VS na een nucleaire aanval nog kunnen communiceren? Tengevolge van nucleaire wapens zou ieder bestaand communicatienetwerk plat gaan, omdat er altijd wel bekabeling en apparatuur geraakt zou worden. In 1964 kwam RAND met een oplossing voor deze moeilijke puzzel: ten eerste moest het netwerk geen centraal controlemechanisme bevatten, en ten tweede moest het netwerk vanaf het eerste moment opgebouwd worden alsof het in vele stukken ligt. Alle computers in het net moeten onafhankelijk van elkaar functioneren en berichten moeten van computer naar computer reizen totdat ze op de plaats van bestemming aangekomen zijn. Valt een computernetwerk uit dan wordt een andere computer gezocht, enigszins in de richting van de plaats van bestemming, en zo verder. Op basis van deze principes is in 1969 het Arpanet, de voorloper van Internet, tot stand gekomen in opdracht van Pentagons Advanced Research Projects Agency. Het Arpanet breidde zich in de jaren '70 en '80 explosief uit en ontgroeide het ministerie van defensie. Het net functioneerde geheel naar verwachting, behalve dat de onderzoekers het net ook intensief voor persoonlijke communicatiedoeleinden gingen gebruiken: elkaar berichten toesturen en discussies over bijvoorbeeld Science Fiction-onderwerpen voeren. Vanaf 1984 hebben Amerikaanse overheidsinstellingen zoals de Nationals Science Foundation (NSF) gezorgd voor een gigantische capaciteitsverbetering door voortdurend de krachtigste supercomputers, en de snelste verbindingen beschikbaar te stellen. NSFNet was een van de eerste grote backbones van Internet en groeide uit tot een "netwerk van netwerken", waar ook NASA en het US Department of Energy zich bij aansloten. Toen het Net internationaal uitgroeide zijn er veel backbones bij gekomen. Zo kennen we in Nederland bijvoorbeeld Surfnet en NLnet, en in Europa EUnet. Internet werd oorspronkelijk gebruikt voor educatieve en wetenschappelijke doeleinden en commercieel gebruik was niet toegestaan. Dit was vastgelegd in de Acceptable Use Policy van NSF. Daar is nu volledig verandering in gekomen. Het National Research and Education Network (Nren), gefinancierd door de High Performance Computing Act uit 1991 zal op termijn NSFnet geheel vervangen. Nren kent helemaal geen belemmeringen meer voor commerciële activiteiten op het Internet. In 1994 nam het aantal commerciële gebruikers zo'n vlucht dat zij voor het eerst in absolute termen de grootste gebruikersgroep op het Net zijn geworden. Dit feit markeert een belangrijk keerpunt in de geschiedenis van het Net, dat zich nu ontwikkelt richting een virtuele marktplaats. In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens een aantal multimediale Internetdiensten beschreven die al dan niet nu al commercieel levensvatbaar zijn. Aan Internettoegang verlenen wordt goed verdiend (paragraaf 2), Web-adverteren is in opkomst (paragraaf 3), Internetuitgeven is een lastiger markt (paragraaf 4), en digitaal winkelen (paragraaf 5) en het aanbieden van ruimte in digitale winkelcentra (paragraaf 6) zijn diensten die in een relatief pril stadium zijn vanwege het nog ontbreken van wijdverbreide on-line betalingssystemen. De virtuele marktplaats is een toekomstdroom, waar we zeker nog een flink aantal stappen voor moeten maken om deze droom enigszins gestalte te geven, ook al gaan de Internet-ontwikkelingen vliegensvlug (paragraaf 7). 2 Duizelingwekkende groei leidt in zes jaar tot marktverzadiging in access De westerse wereld heeft inmiddels met het fenomeen Internet kennis kunnen maken. Op basis van een analyse van de Internet Society (zie figuur 8) blijkt dat met name Afrika ook voor de Informatiemaatschappij een verloren continent dreigt te worden. Daarnaast zijn er in fundamentalistisch ingestelde landen zoals Iran (moslim), Saudi Arabië (feodaal moslim), Noord-Korea en Vietnam (beide laatste landen orthodox communistisch), nog grote problemen te overwinnen. Wanneer informatie de belangrijkste productiefactor wordt, dan zijn information-have-nots behoorlijk gehandicapt. Wanneer de handel steeds meer via on-line netwerken plaatsvindt, dan moet je aangesloten zijn om je producten en diensten te kunnen slijten en een vinger in de infopap te houden.
Figuur 8. De scheiding tussen info haves en info have-nots tekent zich af langs grenzen van arm en rijk. Wanneer we naar de huidige groei in het aantal Internetcomputers en gebruikers kijken dan blijkt deze groei al vanaf begin jaren 80 exponentieel te verlopen. Wanneer deze exponentiele groei doorzet dan is Nederland in circa 5-6 jaar volledig verzadigd, d.w.z. dan heeft iedereen een Internetaansluiting. Echter, 100% penetratie is onwaarschijnlijk. Maar het is voor een land als Nederland minder onwaarschijnlijk dan het op het eerste gezicht lijkt dat de penetratie zeer hoog zal worden (bijv. groter dan 90%). Want het is zeer goed denkbaar dat toegang tot het Net straks gratis aangeboden wordt bij een fles Dreft, een Telegraafabonnement, een Rabobankrekening of dat kabelmaatschappijen Internet standaard toevoegen aan het basispakket (en de penetratie van kabel in Nederland ligt internationaal gezien hoog: boven de 90%). Verder moet rekening gehouden worden met de Web-TV van Sony, Philips en Matshusita, en de opkomst van IP-telefoons waarmee spotgoedkoop internationaal gebeld kan worden via IP-netwerken zoals Internet. Sceptici wijzen dan op de gebrekkige kwaliteit, betrouwbaarheid en beveiliging van het Net. Ontwikkelingen als afgeschermde Intranetten (t.b.v. één organisatie) en Extranetten (t.b.v. van een gesloten groep organisaties), en de toepassing van encryptietechnologie voor beveiliging van transacties en communicatie bieden nu al bevredigende oplossingen voor dit probleem.
Figuur 9. De VS beginnen al tekenen van afnemende groei te vertonen. Europa en Azië nemen de fakkel over. De gigantische groei in het aantal gebruikers legt geen windeieren voor aanbieders van Internet-toegang. Op dit moment is dat een van de snelst groeiende Internet-businesses, al zijn de marges vaak flinterdun. Het gaat om de verkoop van abonnementen en het doorberekenen van een uurtarief voor Internetgebruik min of meer zoals telefoonmaatschappijen dat doen voor gebruik van het telefoonnet. De eerste generatie aanbieders van Internet-toegang werden in het begin zwaar door de overheid gesubsidieerd en richtten zich op het aanbieden van Internet-toegang aan universiteiten en vervolgens onderzoeksinstellingen van bedrijven. Surfnet is een Nederlands voorbeeld van zo'n Internet-aanbieder. Het is Surfnet maar in zeer beperkte mate toegestaan om op commerciële basis aansluitingen te gaan leveren aan derden. Naast de universitaire en onderzoekswereld waren het in de beginfase vooral hackers, computerkrakers, die toegang tot het Net wilden hebben. Niet in de laatste plaats omdat het Net hen de gelegenheid biedt binnen te dringen op computers over de hele wereld om daar hun grappen uit te halen. Bijvoorbeeld op computers van de technische universiteit van Virginia in de VS hadden hackers een spelomgeving neergezet waar Internetgebruikers van over de hele wereld gebruik van maakten. Het begon de systeembeheerders van de universiteit pas op te vallen toen de gloednieuwe computers vastliepen vanwege een tekort aan schijfgeheugen. Toen de FBI op het spoor van de hackers gezet werd wisten dezen snel hun sporen uit en waren de computerproblemen historie. Zowel de systeembeheerder van Virginia Tech als de FBI tastten in het duister omtrent de identiteit van deze hackers. De tweede generatie aanbieders kwam zodoende voort uit hackersverenigingen die hun eigen leden Internettoegang gingen bieden. Leden van zulke Internetaanbieders kunnen met behulp van een PC met modem inbellen op de Internetcomputer van de hackersverening zoals HACTIC (nu: XS4ALL - spreek uit: access for all) in Nederland. De Internetcomputer biedt toegang tot het wereldwijde netwerk. Toen de groei van de Internetmarkt bleek door te zetten zijn allerlei andere aanbieders van Internettoegang als paddestoelen uit de grond geschoten. Nederland telt alleen al vele tientallen aanbieders waaronder Compuserve. Sinds de komst van IBM, Planet Internet, diverse digitale steden, en de Rabobank is de providermarkt in een verdere stroomversnelling gekomen. Nu ook deze kapitaalkrachtige en serieuze aanbieders op de Internetmarkt zijn verschenen, zien steeds meer bedrijven het Net voor vol aan en wordt het makkelijker om vanuit ieder willekeurig punt in Nederland tegen lokaal tarief in te bellen op een Internetcomputer van een van deze aanbieders. Om een idee van de omvang en potentie van de markt voor Internet-toegang te geven, even een korte berekening van de huidige marktomvang en marktpotentie: Marktomvang: indien 500.000 gebruikers bij een goedkope Internet-aanbieder een abonnement zouden hebben en jaarlijks f 300,-- kwijt zijn incl. gebruiksduurkosten dan is de omvang van de Nederlandse markt voor Internetaansluitingen momenteel f 150 miljoen op jaarbasis. Omdat veel zakelijke gebruikers hogere abonnementsgelden betalen en/of additionele kosten hebben per uur Internet-gebruik is deze f 150 miljoen beslist een zeer conservatieve schatting. Marktpotentie Internet: indien alle Nederlandse huishoudens - laten we deze op 6 miljoen stellen - gemiddeld één Internetaansluiting nemen en de jaarlijkse Internetkosten per gebruiker halveren tot f 150, dan gaat het al om een marktpotentie van minimaal f 900 miljoen per jaar! En in de Europese Unie gaat het dan om een potentie van circa f 18 miljard! (Ter vergelijking: in de Europese kabeltelevisiemarkt gaat op jaarbasis circa f 10 miljard om). De Nederlandse marktpotentie voor Intranet en Extranet voor bedrijven wordt op circa f 2 miljard op jaarbasis geschat. Omdat er ook additionele Internetdiensten aangeboden worden - zoals mogelijkheden om eigen Web-pagina's aan te maken met bedrijfsinformatie - liggen de marktomvang en de marktpotentie van de Internet-markt in zijn totaliteit een behoorlijk stuk hoger. Desalniettemin geven deze rekenvoorbeelden aan waarom de Internetmarkt zo interessant gevonden wordt door grote bedrijven als KPN, IBM en Volmac: het wordt een miljardenmarkt in de komende 5-6 jaar! 3 Inkomsten uit advertenties op het Web stijgen snel De tweede interessante Internetmarkt is die voor advertenties op het Web. Hierbij komen de multimediale mogelijkheden van het Web goed van pas: JPEG- en GIF-plaatjes voor grafische informatie, MPEG-film voor appetizers, en JAVA-applets voor dynamische objecten die met weinig bandbreedte toe kunnen. De beste plekken om te adverteren zijn die sites die het veelvuldigst bezocht worden. Nummer 1 staat Netscape (zie figuur 10), die zijn Web-browser gratis verspreid maar daarin wel verwijzingen naar de eigen site heeft gebakken in de vorm van knoppen. Netscape verdient geld aan advertenties op haar site, maar nog veel meer geld met haar server-software, firewalls etc.! Een slimme strategie die Microsoft heeft gedwongen deze over te nemen. Netscape is door de New York Stock Exchange-beleggers beloond met een scherp gestegen beurskoers, hoewel het vooralsnog onzeker is of de strijd met Microsoft gewonnen kan worden.
Figuur 10: De 10 best bezochte Web-sites ontwikkelen zich tot advertentiemedium (hits in mln per dag) in 1995. In snel tempo worden op het Web advertentiemedia ontwikkeld in het gevecht om de vluchtige aandacht van websurfers. Aandacht trekken, kanaliseren en respons opwekken is altijd al geld waard geweest. Zowel anologe als digitale advertentiemedia draaien hierop. Binnen het Net is aandacht en respons meetbaar geworden waardoor digitale advertentiemedia, zoals de Netscape site, harder afgerekend worden dan hun analoge voorgangers. Doordat de concurrentie om de aandacht op het Net heel groot is gaan vrijwel alle uitgevers (vooralsnog) over op gratis abonnementen op hun Internetpublicaties. De Daily Planet van Planet Internet is hier een voorbeeld van. Een fundamentele ommezwaai in hun marketingconcept? Nee, natuurlijk niet want er bestaan al jaar en dag bladen als Intermediair en Computable, die gratis onder lezers verspreid worden en geheel uit advertentiegelden gefinancierd worden. De adverteerder wordt gelokt met hoge bezoekersfrequenties en betaalt. Geen bedrijf in Amerika, en sinds 1995 ook in Nederland, dat geen reclamegeld overheeft voor "aanwezigheid" op het Web. De komst van de Gouden Gids en in september 1996 Het Telefoonboek op het Web geeft aan hoe serieus deze ontwikkeling is. Het Telefoonboek genereerde reeds in de eerste week circa 500.000 hits per dag! Het gevecht om de elektronische advertentiemedia barst los, omdat het Net een kritieke massa heeft bereikt: naar schatting 80 miljoen regelmatige gebruikers eind 1996 en minstens 100% groei per jaar. De modale Internetgebruiker is hoog opgeleid, man, ongetrouwd, en heeft (uitzicht op) een bovengemiddeld inkomen. Kortom, een interessante doelgroep. In Californië - een staat met zeer hoge Internetpenetratie - is overigens de helft van de gebruikers inmiddels vrouw, wat een indicatie is dat het medium daar volwassen begint te worden. Zeer interessante advertentiemedia zijn de veelgebruikte zoekinstrumenten op het Net, bijvoorbeeld de Lycos, Infoseek, Alta Vista, Web Crawler en vele andere. De Yahoo-gids trok dagelijks zon 1 miljoen bezoekers in 1995, die ieder gemiddeld tien maal de gids raadplegen, en was hiermee de op één na best bezochte site op het Web. Het is een volwassen gids geworden. Geen gekke investering van AT&T, deze gids die oorspronkelijk door enige Amerikaanse studenten is opgezet. Met deze investering willen de oprichters van de gids op grote schaal adverteerders gaan werven en investeren in de kwaliteit van de Yahoo (completer, actueler, fraaie advertenties, betere zoekrobot). Bestaande uitgevers experimenteren zonder uitzondering met elektronische uitgaven die kunnen dienen als advertentiemedium van de toekomst. Time Magazine bijvoorbeeld heeft een elektronische web site ingericht waarin niet alleen de meest actuele versie van Time Magazine te zien is, maar ook discussies over onderwerpen gevoerd kunnen worden. Time Magazine ziet in dat een complete site ingericht moet worden om een kritieke massa van dagelijkse bezoekers te trekken, noodzakelijk om vervolgens adverteerders te trekken. Zelfs de meeste recente artikelen uit Time Magazine worden geplaatst in de slag om de aandacht, ondanks dat dit kanibaliserend werkt voor de papieren uitgave. Vooralsnog worden geen abonnementsgelden geheven omdat dit websurfers volledig zou afschrikken. Websurfers zijn verwend met de meest opwindende informatie zonder er iets voor te hoeven betalen (behalve telefoonkosten en Internetabonnementen, maar zelfs deze kosten worden vaak afgewenteld op de werkgever). De toegevoegde waarde van het Web is gelegen in de mogelijkheid om interactieve advertenties op te nemen. Interactief adverteren onderscheidt zich van gewoon adverteren doordat de aandacht en de respons van lezers van de advertentie direct opgewekt en onmiddellijk gemeten kan worden. Het is mogelijk om precies bij te houden hoe vaak en op welke momenten een advertentie aangedaan wordt door een web surfer. Bovendien - en dat is echt voer voor marketeers - is het mogelijk om onmiddellijk via een bijgevoegde elektronische antwoordcoupon de respons van de geïnteresseerde te vragen. Zo is de kans dat er verzoeken om informatie, klachten en opmerkingen of bestellingen verloren gaan minimaal. De respons van klanten en potentiële klanten is goud waard voor een adverteerder. Zeker wanneer het om bestellingen gaat. 4 Uitgevers leren te verdienen aan multimediale webuitgaven Access wordt relatief steeds minder belangrijk als Internet-business (zie figuur 11). Verdienen aan informatie bijvoorbeeld wordt steeds belangrijker. En dat is niet onlogisch via een wereldomspannende "informatie-infrastructuur" zoals in de VS de infosnelweg vaak genoemd wordt.
Figuur 11. Relatief steeds meer Internet-verdiensten zullen uit advertenties, publiceren, retrieval-diensten en transacties komen.
Waarom is de ontwikkeling van de infosnelweg (c.q. het Net) zo belangrijk? De betekenis van het Net kan alleen goed begrepen worden in het licht van de evolutie van onze maatschappij richting een infomaatschappij. Al tientallen jaren wordt er gespeculeerd over de infomaatschappij, waarin informatie, ook vanuit een economisch perspectief, het belangrijkste "goed" is. Momenteel leven we nog in een dienstenmaatschappij. Pas halverwege de volgende eeuw wordt verwacht dat meer dan de helft van ons bruto nationaal produkt gegenereerd wordt door de informatie-industrie, wat de overgang naar een infomaatschappij markeert. Niettemin is de opmars van de informatie-industrie nu al onmiskenbaar en gunt het Net als voorloper van de informatiesnelweg ons een blik op de informatiemaatschappij-van-morgen. Het wordt duidelijk dat bezoekers naar je site lokken en aan je site te binden, essentieel is om de informatiecompetitie winnen, en dus doorslaggevend is voor de overleving van je bedrijf. Vooral aan het gratis aanbieden van een onvoorstelbare diversiteit aan digitale informatie heeft het Net zijn succes te danken. Digitale informatie, zo is nu wel duidelijk, is de smeerolie van de informatiemaatschappij aan het worden. Het eind van de exponentiële groei in het informatiegebruik is nog lang niet in zicht. Wat voor informatie wordt via het Net beschikbaar gesteld? In principe gaat het om iedere denkbare soort informatie. We onderscheiden hier ruwweg drie categorieën: wetenschappelijke informatie, vakinformatie en infotainment. We bespreken enkele karakteristieken van de business voor deze drie categorieën. Hoge marges wetenschappelijk uitgeven onder druk Wetenschappelijk medewerkers van universiteiten en onderzoeksinstituten wisselen via het Net hun onderzoekservaringen uit, wetenschappelijke informatie. Er is geen zichzelf respecterende universiteit in Nederland meer te vinden die niet via Surfnet een aansluiting heeft en er zijn maar weinig onderzoekers te vinden die zelfs geen e-mail gebruiken. Het Net is een onmisbaar instrument geworden voor het op de hoogte blijven van actuele ontwikkelingen in onderzoeksdisciplines en het samenwerken in Europese projecten in Esprit-, Acts- en Race-verband. Uitgevers van wetenschappelijke tijdschriften zoals Elsevier Science Publishers en Springer-Verlag, zijn uitermate huiverig voor deze ontwikkeling, omdat ze vrezen dat dit ertoe leidt dat de gevestigde wetenschappelijke bladen hun waarde als communicatiemiddel tussen wetenschappers langzaam gaan verliezen en dat de riante winstmarges (minimaal 30%) op wetenschappelijk uitgeven onder druk komen te staan. Uitgevers worden onderlangs ingehaald doordat wetenschappers hun materiaal zelf op het Net publiceren, soms zelfs in zwaar gereviewde elektronische tijdschriften. Zelf doen is goedkoop, snel en levert direct respons op. Elsevier Science Publishers experimenteert ook met medisch tijdschriften op het Net, om te leren hoe ook op het Net de semi-monopolistische business veilig gesteld kan worden. Helaas voor de uitgevers experimenteren ook organisatoren van wetenschappelijke congressen, zoals bijvoorbeeld het wereldcongres voor educatieve multimedia (ED-Media'95) in Graz, met uitgeven op het Web. Deelnemers aan het congres kunnen deze bijdragen reeds van te voren lezen en er commentaar op geven; vervolgens kunnen de auteurs tijdens de conferentie op de reacties ingaan. Het gevolg is een aanscherping van de wetenschappelijke discussie tijdens de conferentie, wat als aanjager voor de (technologische) ontwikkeling fungeert. Uiterst actuele vakinformatie is goud waard Uitgevers van vakinformatie, zoals Wolters Kluwer en VNU, timmeren hard aan de weg door het opzetten van Web-versies van bladen als de Automatisering Gids en Computable. Het zijn begrijpelijkerwijze allereerst de vakbladen voor IT-specialisten die een elektronisch jasje krijgen. Deze gebruikersgroepen zijn immers de eersten die acte de présence geven op het Net. Toch zijn ook al snel geheel andere bladen op het Web gekomen. Er zijn talloze voorbeelden zoals de tweewekelijks verschijnende Biweekly Review Dutch Economy van de Rabobank, het Financieel Dagblad en Datum, een internationaal tijdschrift voor innovatieve ontwikkelingen in theater, media e.d. Voorlopig worden de meeste bladen gratis verspreid. Uitgevers beseffen heel goed dat als ze dat niet doen ze nooit een kritische massa van lezers kunnen bereiken. Slechts enkele bladen werken op abonnementsbasis en zijn alleen te benaderen door abonnees met een password. De meeste uitgevers zijn hier nog niet aan toe, omdat ze eerst willen experimenteren met de vorm en inhoud van het blad, willen uitzoeken wat de marketingpotentie is, en mogelijkheden voor advertentiewerving onderzoeken. Het merendeel van de uitgevers verdient dus ook nog niets of niet zoveel aan informatieverstrekking via het Net. Hierop zijn drie uitzonderingen: verkoop van boeken, CD-ROM's en software via het Net zijn winstgevende activiteiten van uitgevers zoals McMillan; abonnementen op uiterst actuele financiële informatie is voor bijvoorbeeld QuoteCom en de Wall Street Journal uit de VS een zeer winstgevende activiteit; ontelbare aantallen consultancy-bureaus geven acte de presence op het Web; ze geven hun actuele onderzoeksrapporten zelden prijs aan het Web, maar verkopen die pas na on-line bestelling (een rapportenverkoper is in wezen een uitgever). een explosief gegroeid aantal commerciële porno-uitgevers stelt slechts tegen betaling via credit card of internet betaalmiddelen plaatjes en video aan gebruikers beschikbaar. Actuele en inside information is dus ook op het Net geld waard. Het aardige voor aanbieders is dat ze zonder de kosten van distributeurs te hoeven betalen rechtstreeks aan de wereldmarkt kunnen leveren. Dat betekent dat als ze een goedlopend produkt op de markt brengen, ze hogere marges vangen dan via de traditionele waardeketen. De omvang van de info-handel via het Net is moeilijk te becijferen vanwege het decentrale karakter. Het is helder dat de handel snel groeit, maar pas echt interessante vormen kan aannemen wanneer beveiligde betaalsystemen in omloop komen. Infotainment: broadcasting en narrowcasting Met de doorbraak van het Net in de consumentenmarkt staat er een explosieve groei op stapel van digitale informatie voor de consumentenmarkt. Omroepen en uitgeverijen staan aan het begin van een lange strijd om de consumentenmarkt. Een teken aan de wand is in Nederland de aandacht die VPRO, vervolgens Veronica en vervolgens alle andere omroepen aan het Web besteden. VPRO was in 1994 als eerste omroep in Nederland "op zolder" bezig met het experimenteren met het Net. In het buitenland was de BBC al langer actief, en in de US is NBC een actieve speler in samenwerking met Microsoft. De altijd al avant gardistische VPRO zag al vroeg in dat deze digitale revolutie de kijker en de omroep in zijn huidige vorm niet onberoerd zal laten. Zeer opvallend was later het instappen van Veronica dat samen met uitgever Wegener in 1994 aan de wieg stond van Veronica Interactive Plaza (VIP). Het boterde echter niet tussen deze twee. Nadat eerst Veronica vanwege haar toen nog publieke status tijdelijk een stapje terug deed, stapte later Wegener over naar Planet Internet toen Veronica haar commerciele bruidschat weer kwam opeisen. Zijn omroepen en uitgeverijen in staat de omslag naar omroep en uitgeven via het Net te maken? Zijn ze ook in Cyberspace in staat zich te handhaven, hun infoprodukten aan de man te brengen en adverteerders te lokken? Populair gesteld, wie is in staat keihard de interactiefste te zijn? De beste spelers halen de hoogste hit rates, de hoogste bezoekersfreqenties, waardoor ze meer geld van adverteerders kunnen vragen. Hetzelfde spel als met kijkcijfers voor TV-programmas. Deze Internet-business is duidelijk nog in een pril stadium, omdat Internet nog een paar jaar te gaan heeft voordat het een zelfde omvang heeft bereikt als de huidige massamedia. Wat omroepen moeten overwinnen is dat ze niet gewend zijn in een onoverzichtelijk groot speelveld interactieve informatiediensten aan te bieden voor kleine gebruikersgroepen (narrowcasting). Omroepen zijn gewend aan een breed publiek (broadcasting) dat in het beste geval via de telefoon kan reageren. Anderzijds, is het de grote kracht van omroepen dat ze het gebruik van hun Internet-diensten kunnen stimuleren door deze te koppelen aan de massamedia TV en TV-gids. Hierdoor kunnen ze hun digitale activiteiten krachtig promoten, en dat doet bijvoorbeeld Veronica dan ook. Wat uitgevers moeten overwinnen is dat ze niet gewend zijn aan het gebruik van video en audio in hun informatieprodukten en dat ze niet gewend zijn om te gaan met zappende gebruikers. Dat is zeker nodig, want Websurfers zijn zappers eerste klas! De kracht van uitgevers daarentegen is dat ze gewend zijn om te gaan met de terugkoppeling van lezers, en gewend zijn aan het inspelen op kleine, dynamische doelgroepen door het aanbieden van toegesneden hoogwaardige informatie. Wat zowel omroepen als uitgevers moeten leren is het hanteren van interactie, iets waar software-ontwikkelaars mee grootgebracht worden. Met de introductie van HotJava kunnen nog dynamischer en spannender Web-paginas ontwikkeld worden. Uitgevers en omroepen zullen competences op dit gebied moeten opbouwen om mee te tellen in de hypersnelle wereld van het Net en niet in de bekende valkuilen te vallen zoals hun huidige infoprodukten klakkeloos overzetten naar het Net en het Web. Het Web biedt veel meer dan TV en krant, ook al leggen beeldschermen het af tegen papier als het gaat om leesgemak. Een web site is een multimediaal produkt en kan het best door multimedia-ontwerpers opgezet worden die gevoel hebben voor de snelle wereld die Internet heet. 5 Digitaal winkelen ontwikkelt zich vanaf 1996/1997 Is digitaal winkelen al een commercieel aantrekkelijke mogelijkheid op het Net? Nog niet, maar dat verandert zeer snel! Wanneer de eerste experimentele, on-line betalingssystemen van credit card-maatschappijen, banken en encryptie-bedrijven verspreid worden, kan digitaal web-winkelen zich pas goed ontwikkelen. Dit zal in het komend jaar zijn beslag krijgen, zo snel gaan de ontwikkelingen momenteel. Geen twijfel mogelijk. Digitaal winkelen is het bekijken, kopen, bestellen en betalen van produkten en diensten via een digitaal medium. Digitaal winkelen onderscheidt zich van gewoon winkelen doordat we vanaf de PC thuis of op de werkplek in staat zijn informatie over bijvoorbeeld vakantiebestemmingen op te vragen, een keuze te maken en een boeking te doen. Bovendien, als het om informatieprodukten gaat kunnen deze ook via het Net afgeleverd worden. Bijvoorbeeld het eerdergenoemde Amerikaanse QuoteCom levert desgewenst financiële informatie via e-mail of het Web af. Er zijn ook tal van uitgeverijen die boeken elektronisch afleveren. En waarom zou je een muziek CD willen kopen als je op verzoek je favoriete nummers via het Net kunt luisteren? Elektronisch betalen Het grootste probleem voor shopping malls is voorlopig nog het on-line betalen. Op dit moment kunnen bestellingen vaak wel via het Net gedaan worden, maar is het niet goed mogelijk om ook onmiddellijk af te rekenen. Hiervoor zijn we aangewezen op conventionele betalingssystemen die allen zo hun problemen hebben: internationaal geld over laten schrijven is traag en te kostbaar voor kleine bestellingen omdat banken minimaal circa fl. 15,-- per transactie in rekening brengen; via credit card betalen is niet 100% waterdicht doordat de koper in de meeste gevallen zijn naam, creditcardnummer, en vervaldatum van zijn kaart onbeveiligd over het Net moet sturen. Het direct on-line betalen is een probleem dat in de nabije toekomst
opgelost wordt door het invoeren van digitaal geld en door het beter
beveiligen van credit card-bestellingen. Een goed voorbeeld van digitaal
geld zijn de cyberdollars of cyberbucks die Digicash uitgeeft. Het werkt
zo: participanten nemen cyberdollars af die allen een uniek nummer hebben
en bergen deze op in de software-portemonnee die ze van Digicash hebben
gekregen. Wanneer ze bij een winkel komen die dit geld accepteert doen
ze bij het afnemen van een produkt een betaling met cyberdollars uit hun
portemonnee. Tijdens deze betaling wordt bij Digicash geverifieerd of het
inderdaad om echte cyberdollars gaat en niet om vals geld. Als geen problemen
opduiken, worden de cyberdollars aan de portemonnee van de winkel toegevoegd.
Betalingen met cyberbucks vinden net als bij ons gewone geld, anoniem plaats.
Dit in tegenstelling tot credit card betalingen, waarbij elke transactie
geregistreerd wordt. Mensen die een afkeer hebben van Air-Miles constructies,
waarbij hun volledige koopgedrag kan worden gevolgd, hoeven daar bij deze
electronische betalingsconstructie niet over in te zitten. Overigens: Digicash
heeft ook software die het mogelijk maakt om credit card-betalingen op
een beveiligde manier plaats te laten vinden. |
© 1995-2002 Martijn Hoogeveen |